‘Someday we’ll know’. Het is de titel van een schilderij van Ruud de Wild. Die dj? Ja, dat ook, maar in dit geval vooral de in Oud Zuid wonende kunstenaar. Zelf heeft hij overigens niets met dat woord. De zelfbenoemde ‘midlife-loser’ doet gewoon z’n eigen ding; schilderen inmiddels al zo’n 20 jaar. ‘Someday we’ll know.’.. Op een dag wist hij ook plotsklaps wat zijn schilderstijl moest worden. Maar het creatieve ontwikkelproces dat aan die openbaring voorafging, was niet makkelijk. De Wild krijgt tegenwoordig steeds meer waardering voor zijn kleurige doeken met daarin rake songteksten, in uiteenlopende typografieën. “Wat betreft mijn fascinatie voor letters ben ik een doorgeslagen freak.”
Enkele weken geleden. Ruud de Wild was in Berlijn, zijn droomstad. “Ik stond bij die Fernsehturm, een soort Euromast maar dan mooi, midden in zo’n prachtige Stalinistische buurt. Ik had een schitterende doorkijk, de lucht was blauwroze in een jaren ’70-tint. Ik maakte een foto. Dat moment was zó mooi. Die kleuren, die emoties, het leek wel nep! Thuis heb ik er direct een schets van gemaakt, en het resulteerde in mijn beste doek tot nu toe. Schilderen is mooi als het nep blijft, dat maakt een doek dynamisch, het beweegt. Toen ik een periode te realistisch te werk ging, vond ik er gelijk geen reet meer aan. Dan kun je het net zo goed bij een foto houden.”
Woon je graag in Oud Zuid?
“Ja, ik heb al op verschillende plekken gewoond. Veel mooie straten, renovatie wordt doorgaans authentiek opgepakt, sommige buurten zijn gezellig zoals in die oude Engelse volksbuurtjes. Jammer is wel het gebrek aan kleine winkels: het bakkertje, de visboer... Ik wil niet veroordeeld worden tot zo’n fascistische Albert Heijn die bepaalt welk merk limonade ik voor m’n kind moet kopen.”
Jij hebt iets bijzonders met letters.
“Ik kom uit een familie met veel grafisch vormgevers en drukkers. Als jochie stond ik al aan de drukpers. Thuis hadden we oude letterbakken met loodletters, prachtig. Het heeft me nooit meer losgelaten. Ik schuim stad en land af voor meer informatie, heb ook een masterclass gevolgd, en kocht bijvoorbeeld laatst een 300 jaar oud boek over typografie en druktechnieken. Fascinerend. Het mooie is: een lettertype is sfeerbepalend, en kan een gevoel of herinneringen oproepen. Dat is anders per persoon. En details maken soms een groot verschil.”
Je schildert met songteksten. Waarom?
“Ik heb twee passies: schilderen én muziek. Ik begon vrij vroeg met radio, was ook altijd al bezig met mijn stem. In 1992 kon ik voor een landelijke zender werken. Ik houd van muziek, heb nog steeds duizenden platen. Bepaalde songs maken sterke emoties in mij los. Een zin uit zo’n nummer vat dat soms perfect samen. Die emotie vertaal ik in tekst, lettertype, kleur en compositie door in mijn schilderijen. Ik heb veel teksten en platen klaarliggen, maar wanneer en hoe ik iets gebruik, is voor mij vaak ook een verrassing. Soms begint het met een ondergrond, soms met tekst.”
Wanneer is een schilderij af?
“Dat weet ik nooit. Soms vind ik dat ik iets te lang ben doorgegaan of juist weer te snel ben gestopt. Ik heb daarom besloten: als mijn handtekening eronder staat, is ie af. Punt. Eigenlijk zonde, een schilderij is net als een liedje misschien wel nooit af. Een leuk voorbeeld is ‘Africa’ van de band Toto. Dat nummer eindigt met een fade-out, die eindeloos zou kunnen doorgaan. Toch heeft iemand gezegd ‘Ok, genoeg zo, nu draaien we ‘m echt weg’.”
Hoe ben je op je huidige stijl uitgekomen?
“Het is me een beetje overkomen, maar ‘t heeft ook best lang geduurd. Begin jaren ’90 rommelde en tekende ik wat, probeerde wat dingen uit. Ik wilde eerst goed kunnen schetsen wat ik in m’n hoofd had. Toen dat lukte, heb ik mezelf al deels gevonden. Maar de dynamisch doorvertaling op een doek was moeilijk. Weer wat jaren later, toen ik een periode in Engeland verbleef, is het kwartje echt gevallen. Ik werd daar geïnspireerd door onder meer het kleurgebruik van bepaalde vormgevers. Op een gegeven moment realiseerde ik me: ‘Wacht ‘s even, ik moet het zus en zo gaan doen’. Vervolgens heb ik hard aan mijn techniek gewerkt.”
Maak jij mooie dingen?
“Zeker in het begin vond ik dat ik rotzooi maakte. Ik denk over van alles na, ben over veel dingen onzeker, maar op een goede manier. Het houdt me scherp en met beide benen op de grond, waardoor ik me blijf ontwikkelen. Je bent zo goed als je laatste werk. Mooi is wel als anderen iets zien in een doek wat ik zelf niet eens zag. Dan heb ik het goed gedaan. In de toekomst wil ik graag meer doen met bewegend beeld: samen met statisch beeld kun je dan spelen met dimensies en diepte. Ik heb een prettige fetish voor iets mooier willen maken.”
Wat versta jij onder kunst?
“Ik heb geen verstand van kunst, het begrip is te breed, en natuurlijk volslagen subjectief. Wat is mooi of lelijk? Slechte kunst bestaat niet, slechte muziek ook niet. Je kunt een plaat niet mooi vinden, maar dát is wat anders. Kijk, het uithangbord van de kapper hier in de straat zou in het Stedelijk Museum misschien voor kunst worden aangezien. Dus wat is kunst? Ik heb ook een hekel aan het woord kunstenaar. Als je jezelf zo noemt, kom je denk ik in een soort negativiteit terecht.”
Heb jij al een bloeiperiode gehad? “Ja, de afgelopen vier jaar. Ik ben tegenwoordig een midlifeloser en kan inmiddels echt om mezelf lachen. Ik maak me niet meer zo druk om dingen, zoals de mening van anderen, en werk graag autonoom. Het feit dat ik Pim Fortuyn vasthield toen hij werd neergeschoten, heeft er zwaar bij me ingehakt. Het positieve eraan is, dat ik daarna vrijer over dingen ging denken. Het kan zomaar afgelopen zijn, dus doe lekker wat je gelukkig maakt. Ik mocht een tijdje terug een Ruud de Wild-suite maken in het American Hotel, dat zijn leuke dingen.”
Waar ben je trots op? “Weet je, ik heb ook schoongemaakt en ben ‘runner’ geweest, zeg maar de Jan-lik-m’n-reet van televisie! Als je dat doorstaat, krijg je eelt op je ziel, haha. Door keihard te blijven werken ben ik waar ik nu ben. Dat maakt me trots. En om de zoveel jaar durf ik eens een knuppel in het hoenderhok te gooien. Ook daarop ben ik trots.” Stel: je mag iets beschilderen in Oud Zuid ter promotie van het stadsdeel. Wat kies je? “Dat weet ik direct: de geldautomaat in de Cornelis Schuytstraat. De grap die we altijd maken is ‘Daar moeten we maar niet pinnen, die zal wel weer leeg zijn’. Oftewel, het geeft een beeld van de mensen die daar zoal rondlopen. Er zijn veel liedjes over geld, daarmee kan ik wel iets om die plek te pimpen!”
Tekst: Niels Bijvoet Fotografie: William Maanders
| < Vorige |
|---|



